Reportage

Joes Anema en Anne Gehlen (links), Piet Aantjes en Robert Zweegman (rechts)

Joes Anema en Anne Gehlen (links), Piet Aantjes en Robert Zweegman (rechts)

Maaike Tindemans
Tekst:
Maaike Tindemans
Verwachte leestijd: 13 min

Nederland kreeg buitenlandse bijstand: ‘Dit was een goede generale repetitie’

Dit voorjaar werd Nederland geteisterd door grote natuurbranden. De rook van de Veluwse brand reikte zelfs tot aan de Noordzee. Voor het eerst in de recente geschiedenis vroeg Nederland om buitenlandse bijstand. Hoe verliep dat? En wat kunnen we hiervan leren? Een interview met Piet Aantjes (Landelijk Actiecentrum Natuurbranden en NIPV), Joes Anema en Anne Gehlen (KCR2) en Robert Zweegman (USAR.NL).

Het zat er al een paar dagen aan te komen. Piet Aantjes, werkzaam bij het NIPV en een van de voorzitters van de wekelijkse landelijke natuurbrandbriefing, zag de omstandigheden stap voor stap verslechteren. In de vooruitblik op maandag 27 april werd het risico op natuurbranden als erg groot aangemerkt. De temperatuur was hoog, de vegetatie droog, de wind zou toenemen en de luchtvochtigheid zou zakken. “De sapstromen waren nog niet op gang gekomen," vertelt hij. "Alles stond er droog bij. Als het dan ook nog gaat waaien, dan heb je alle ingrediënten voor grote natuurbranden bij elkaar."

De rookpluimen van de natuurbrand in 't Harde waren tot in de wijde omtrek te zien

Vanaf woensdag 29 april werd het gevreesde scenario werkelijkheid. Verschillende natuurgebieden vatten vlam. Dat begon met een grote brand in het natuurgebied 't Harde op de Veluwe, een dag later was het ook raak op de Weerterheide in Brabant. "We hadden zelfs de eerste 'nee' al gekregen voor bepaalde eenheden," zegt Piet. "Dan weet je: we redden het niet alleen." Naast de bestrijding van deze branden moest er ook gezorgd worden dat er in de rest van Nederland eenheden beschikbaar bleven om nieuwe branden te bestrijden.

Robert Zweegman (aan het hoofd van de tafel) was verantwoordelijk voor het Reception and Departure Centre (RDC)

Voor het eerst in de recente geschiedenis moest Nederland buitenlandse bijstand vragen. KCR2 coördineerde de komst van de Franse en Duitse brandweerlieden. “We hadden een handboek gastlandondersteuning", vertelt Anne Gehlen, adviseur crisisbeheersing bij KCR2. “Dat is nog een concept en we hadden dit nog niet in de praktijk getest.” Robert Zweegman was verantwoordelijk voor het Reception and Departure Centre (RDC) dat de eenheden in Nederland ontving.

Laten we bij het begin beginnen. Jullie volgen het risico op natuurbranden het hele seizoen. Hoe ziet dat eruit?
Piet: "We hebben elk jaar van 1 april tot 1 oktober een wekelijks overleg natuurbrand. We zitten dan aan tafel met de collega's van KCR2, de Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren (VBNE), Brandweer Nederland, de veiligheidsregio's Noord- en Oost-Gelderland en Utrecht, het ministerie en een natuurbrandanalist. We kijken terug, halen het actuele beeld op en geven advies over het risico voor de komende week. Dat verspreiden we naar alle regio's. Als de situatie erom vraagt, komen we twee keer per week of dagelijks bij elkaar.”

‘We hebben van 1 april tot 1 oktober wekelijks overleg’

Joes Anema, domeincoördinator van het Informatie en Coördinatie Centrum (ICC) van KCR2: "Er schuift altijd een collega van KCR2 aan bij dit overleg. Wat er besproken wordt, zetten we in het LCMS zodat iedereen dezelfde informatie heeft.”

Jullie volgden de situatie dus al enkele weken. Wanneer zagen jullie dat het spannend werd?
Piet: "Op donderdag 23 april waren de signalen al sterk. We hebben op de maandag daarna een extra overleg gehouden. Toen was het duidelijk: het risico op natuurbranden werd ongekend hoog. Begin 2026 hadden we een nieuwe code geïntroduceerd, code Paars. Dat is nog erger dan rood. Die maandag keken we elkaar aan: ‘Dit wordt Paars'.”

Wat was de volgende stap?
"We wilden meer doen dan alleen een bericht in het LCMS zetten, in de hoop dat iedereen het zou lezen. Het was die maandag Koningsdag en we konden ons voorstellen dat niet iedereen scherp was op de verslechtering van de vooruitzichten. Daarom hebben we op dinsdagmorgen om negen uur een digitale bijeenkomst belegd voor alle 25 dienstdoende algemeen commandanten brandweer van Nederland. We wilden hen informeren over onze analyse, en laten nadenken over de consequenties van onze analyse voor hun eigen regio.”

Op woensdag 29 april was het raak. De eerste grote brand was in het natuurgebied 't Harde.
“Dat klopt. In de ochtend was het nog hartstikke rustig. Rond half twaalf brak er een grote brand uit in 't Harde.

Een overzicht van de brandmeldingen en de maatregelen op woensdag 29 april

De collega's van de veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland zagen onderweg naar de brand de enorme rookkolom en wisten al na een half uur dat ze hier een enorme landelijke capaciteit voor nodig hadden. Ze namen contact met ons op: activeer het Landelijk Actiecentrum Natuurbranden (LACN).”

Wat doet het LACN precies?
Piet: "Wij kijken niet naar de brandbestrijding zelf — dat doet de regio. Wij kijken naar het totaalplaatje. Zijn er elders ook grote branden of risico's? Wat voor bijstand zal er nodig zijn? Wie kan het beste worden ingezet? Welke eenheden zijn er nog beschikbaar? Dat is geen bestrijdingsvraagstuk, maar een logistiekvraagstuk. Als ik eenheden uit Zuid-Limburg naar de Veluwe wil laten komen, zijn ze twee uur onderweg. Dan moet ik ze op tijd vragen."

Alle Nederlandse natuurbranden in week 18 en de landelijke acties

Joes: "Wij faciliteren dat proces. De bijstandsplanningen worden gemaakt door de brandweercollega's die het terrein en de mensen kennen. Wij zorgen voor een landelijk informatiebeeld dat we via het LCMS delen. Zo weet iedereen wat er speelt."

Op donderdag kwam daar de grote brand in Brabant bij.
Piet: "Ja, de brand op de Weerterheide. Toen zagen we dat we capaciteitstekort begonnen te krijgen. We hadden al bijstand vanuit zes regio's geleverd aan 't Harde. Een deel van de gespecialiseerde terreinvoertuigen — 4x4's, die je nodig hebt in een bos of heidegebied — waren al ingezet en zouden daar nog geruime tijd blijven. We wilden ook een buffer houden voor het geval er nog meer branden zouden uitbreken. Bovendien waren veel mensen al uren aan het werk. Dan ga je rekenen en zie je: we redden dit niet meer alleen."

Dat betekende dat jullie om buitenlandse bijstand moesten vragen. Waren jullie daar klaar voor?
Anne: “Deels. We waren nog bezig met de herziening van het handboek gastlandondersteuning — de procedure voor het ontvangen van buitenlandse hulpteams. De laatste keer dat we om buitenlandse bijstand hadden gevraagd was tijdens de watersnoodramp in 1953.

De branden waren aanleiding om buitenlandse bijstand te vragen. Duitse en Franse eenheden gaven hier gehoor aan

Op donderdagmiddag had ik een bespreking met ons hoofd Sabine Veenstra. Ze zei: 'Anne, ik denk dat we om buitenlandse bijstand gaan vragen.' Ik was thuis aan het werk en liep op krukken. Toch dacht ik direct: dan kom ik naar Zeist. Als je twee jaar aan iets hebt gewerkt en het gaat echt gebeuren, dan wil je er ook bij zijn."

Hoe ging dat in zijn werk?
Anne: "We hebben met het LACN afgestemd wat zij precies nodig hadden. Piet en zijn collega's adviseerden ons. Op basis daarvan hebben wij samen met het Nationaal CrisisCentrum (NCC) en de NCTV het eerste IRBT — het Interregionaal Beleidsteam — bijeengeroepen. De directeur Nationale Crisisbeheersing van de NCTV is degene die buitenlandse bijstand formeel activeert."

Het Landelijk Actiecentrum Natuurbranden (LACN) werd geactiveerd

Piet: "De voorzitters veiligheidsregio's hebben twee cruciale dingen gedaan. Ze hebben de bijstand goedgekeurd en ze hebben, op ons advies, besloten tot een aangepaste bestrijdingsvisie. Dat laatste was voor ons misschien minstens zo belangrijk. Die visie was: kleine branden klein houden, de slagkracht maximaliseren en accepteren dat je misschien niet alle bijstand krijgt die je vraagt. Het gevolg kan zijn dat je misschien een stuk natuur moet opgeven omdat de inzet ergens anders harder nodig is. Dat zijn ongebruikelijke keuzes voor de brandweer."

Anne: "Om 18.20 uur had het NCC de aanvraag ingediend via het ERCC — het Europese systeem waar vraag en aanbod bij crises samenkomen. Anderhalf uur later hadden we al de eerste reacties binnen. Duitsland en Frankrijk konden eenheden leveren. Honderd brandweerlieden. Vijftig voertuigen. Dat was veel meer dan ik gedacht had, en ze waren al onderweg.”

Toen kwamen ze – voor het ontvangst van deze eenheden - bij jullie terecht, Robert.
Robert Zweegman (USAR.NL): "Dat klopt. Donderdagavond rond het avondeten kwamen de eerste app-jes bij mij binnen. Rond negen uur werd ik gebeld: ben jij beschikbaar? Die nacht om twee uur waren we met vier USAR-collega's in Zoetermeer voor de eerste briefing, daarna gingen we naar de Vliegbasis Eindhoven voor het ontvangen van de eenheden.

De brandweereenheden kwamen al vroeg in de ochtend aan in Nederland

USAR.NL is bij de inzet van buitenlandse eenheden verantwoordelijk voor het Reception and Departure Centre (RDC). We ontvangen de eenheden en zorgen voor de registratie. Die rol kennen wij goed, want als gecertificeerd heavy USAR-team moeten wij deze rol ook kunnen uitvoeren tijdens een buitenlandse inzet, als onderdeel van de internationale coördinatiestructuur.”

Wat wisten jullie op dat moment al?
Robert: "Heel weinig. We wisten niet precies wat de capaciteiten waren van de teams die kwamen, waar ze ingezet zouden worden en waar hun uitvalsbasis (Base of Operations) zou komen. We zijn rond gaan bellen om die antwoorden te krijgen.”

De teams kwamen vroeg in de ochtend aan op vliegbasis Eindhoven. Wat gebeurde er toen?
Robert: "We hebben hen uitgebreid verwelkomd en bedankt voor hun komst. Daarna gaven we een situatieschets: wat speelt er in Nederland, hoe groot zijn de branden, wat zijn de weersomstandigheden. Vervolgens nam de natuurbrandanalist Brian Verhoeven van het LACN het woord om de teams vakinhoudelijk bij te praten. Je merkte direct dat dat klikte — dat waren vakbroeders die samen over hun vak spraken.

De eenheden werden in de eerste instantie ontvangen op Vliegbasis Eindhoven

Daarna kwam de liaison van het LACN, Martijn van Straten, aan het woord. Hij is zelf ook een USAR-collega en hij vertelde waar ze ingezet zouden worden: in de veiligheidsregio Brabant Zuidoost en een stukje Limburg-Noord. Hij is met hen meegereden naar de eenheden ter plaatse."

En dan de opvang. Honderd buitenlandse brandweerlieden moesten ook ergens slapen.
"Dat klopt. Eenheden die uit het buitenland komen zijn in principe zelfvoorzienend. Dat betekent dat zij alles bij zich hebben wat nodig is, zoals tenten en eten. Zij hebben in principe voldoende aan een grasveld. Maar de Fransen die zich bij ons meldden hadden geen tenten bij zich, omdat ze gehoord hadden dat dat niet hoefde. Dus moest er gezocht worden naar bedden.”

Konden zij niet ondergebracht worden in een hotel?
“Dat is lastig, want de meeste hotels zijn daar niet op ingericht. Ze hebben bijvoorbeeld niet voldoende parkeerplek voor al die brandweerauto's en ze vinden het vervelend als er 50 brandweerlieden binnenkomen. Zij zijn vies en stinken van het werk dat zij hebben gedaan.

Defensie stelde de legerplaats Oirschot ter beschikking

Defensie is wel in staat om zoiets te regelen. We waren dan ook blij dat zij de legerplaats Oirschot ter beschikking stelde. Dat was vlak bij het inzetgebied. Defensie heeft een reservistenstaf laten opkomen, een legeringsgebouw geopend en drie maaltijden per dag geregeld. Wij waren het eerste aanspreekpunt voor de buitenlandse eenheden. Voor al hun vragen, bijvoorbeeld over de parkeerplekken en extra water, konden ze bij ons terecht. Wij onderhielden het contact met Defensie."

In de nacht van vrijdag op zaterdag hebben de eenheden dus overnacht bij Defensie. Hoe verliep de zaterdag?
Robert: "In de loop van zaterdag werd duidelijk dat het weer ons wat gunstiger gestemd was. Er waren geen nieuwe branden en de internationale bijstand was niet meer nodig. We hebben onze kennis gedeeld over de manier waarop je je waardering uitspreekt richting buitenlandse eenheden. Dat heeft ertoe geleid dat er zaterdagavond een vertegenwoordiging vanuit het ministerie aanwezig was om de ingezette teams persoonlijk te bedanken.

Zondagochtend zijn ze allemaal vertrokken. Onze laatste ploeg heeft de kamers gecontroleerd en de locatie netjes teruggegeven aan Defensie. Dat hoort er ook bij."

Wat zijn de belangrijkste lessen van deze inzet?
Piet: "Dat de structuur en de rolverdeling van het LACN werkt. De analisten van het LACN zagen het verhoogde risico op natuurbranden aankomen en sloegen een week van tevoren alarm. Waar we nog aan moeten werken is: het grootschalig optreden in ons DNA krijgen. Nu kan iemand nog op zijn privételefoon gebeld worden, terwijl hij al afgelost is. Dat soort dingen. En rolvastheid: weet altijd welke pet je op hebt en wat jouw verantwoordelijkheid is."

Anne Gehlen (links) en Nikki Koek hebben tijdens deze inzet veel samengewerkt

Anne: "We hebben deze inzet vanuit KCR2 met z'n drieën opgepakt: mijn collega Nikki Koek, Rick Verhaag vanuit het MT en ik. We belden allemaal met ons eigen nummer. Dat waren meer dan 200 telefoontjes in 12 uur. Op een gegeven moment heeft iedereen jouw nummer, en dan bellen ze je terug, ook om drie uur 's nachts. Dus een belangrijke les is: een projectnummer. Zo kun je ook echt rust nemen, als dat nodig is.

We gaan er ook voor zorgen dat alle andere geleerde lessen terugkomen in het handboek. En we gaan het handboek aanscherpen, zodat iedereen er goed mee kan werken, ook de collega's die hier wat minder kennis van hebben.”

Robert: "De informatiedeling over de inkomende teams kan beter. De factsheets met hun capaciteiten en groepsgrootte kwamen niet tijdig bij het RDC terecht. Maar het allerbelangrijkste: dit moet geoefend worden. Je moet snappen: waar ben ik van, waar ben ik niet van, wie is informerend en wie is ondersteunend. Dat bereik je alleen door te oefenen."

Wat heeft deze inzet opgeleverd?
Joes: "Heel veel. We hebben laten zien dat de samenwerking tussen het LACN en KCR2 werkt. Het RDC is succesvol ingezet, het IRBT functioneert. We hebben als KCR2 zelfs onze landelijke coördinatieteams (LCT's) ingezet. Zij hebben bijvoorbeeld een samenvatting gemaakt van het IRBT-overleg die we naar alle voorzitters veiligheidsregio's konden sturen. We moeten al die ervaringen nu vertalen naar definitieve procedures.”

Anne: “Ja, dit was echt de beste generale repetitie die we ons hadden kunnen wensen."

Piet: "Er speelt op dit moment veel. Er wordt binnen het Veiligheidsberaad gesproken over de inzet van de IRBT en wij zijn bezig met de ontwikkeling van het Landelijk Actiecentrum Brandweer. KCR2 was bezig met het handboek gastlandondersteuning. Alle ingrediënten waren er. We willen nu het recept nog verder verfijnen."

Robert: “Ik wil nog toevoegen dat KCR2 een belangrijke rol heeft gehad bij deze inzet. Ze hebben USAR.NL om hulp gevraagd en die hebben ze ook gekregen. De collega's van KCR2 waar we mee samenwerkten, deden dit voor het eerst. Ze waren enorm gemotiveerd om alles goed te doen, en wij hebben hen daar zo goed mogelijk bij ondersteund. Ze lieten zich adviseren en daardoor werkten we heel goed samen. Het resultaat was zichtbaar. De inzet is effectief gebleken.”

Piet: “Natuurlijk, ik ben een groot fan van verbeteren. Er zijn zeker nog een aantal dingen die beter kunnen. Maar ik vind ook dat we trots kunnen zijn op wat we hebben laten zien. Professioneel trots op alle collega's die zijn ingezet, de analisten die dit zagen aankomen, de mensen die midden in de nacht opstonden. We hebben het beheerst. Dat verdient erkenning."

21 juli 2026